Biografie van Johan Clymans

Amateur dichter met passie voor wat voorbij, maar niet vervlogen is.Gepubliceerd (in alle bescheidenheid):- Focus- MAZ- En er is - Gierik- Dighter- Vlaanderen- Schoon schip- Van Nu en Straks.2 keer winnaar Aarschotse cultuurprijs.Eervolle vermelding Leiden schrijft: De stad
2011
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2874

    Papa

    1e ronde
    Hij was weer daar, in Beerse
    Hei en klei hadden de weg gewezen
    Bast en put hun geur gegeven
    Toen hij terug naar vroeger keerde

    Zijn kindertijd:

    Het gekreun van veen
    onder een ijzeren hemel
  • 2
    3188

    Haaientand

    Top 1000
    In de navel van het havenland,
    door vuil en schelp verslonden,
    heeft mijn perkamente hand,
    een verweerde tand gevonden.

    De megalodon reet vroeger open,
    onder alcohol en tijd verdronken,
    zag ik een zwarte jongen lopen,
    naar brood en liefde lonken;

    Ver weg stond een baobab te wenen,
    afscheid werd er door mes gedreven,
    treurnis doorbloedde er mijn genen,
    mijn liefsten in zijn merg verweven.

    In Calais kreunt de ijzeren hemel,
    braakt de zee botten uit de tropen.
    De zool en ziel van de ontheemde,
    is versleten, maar blijft hopen.

    Hier zweert leven op verse wonden,
    als we op Stalen Wachters stoten.
    Door poorten en haat geschonden:
    de laatste stuiptrek naar de boten.

    Tandeloos maar nog niet verloren,
    worden we ooit nieuw geboren.
    Dit is de weg: ik hoor de honden
  • 3
    3190

    Bornem

    1e ronde
    's Nachts herleven hier oude sagen,
    roert het slik zich in stille waters.
    Aan het sas klinkt schuw geklater,
    als getijden op de schorren jagen.

    Het veer voert me door vijandig land:
    Verstikt in alg en aal aan de waterkant,
    ruik ik mijn ouders, peil gitzwart;
    Ik buig en hoos mijn bloedend hart.

    In Bornem stol ik tot stilstand;
    struif in een vossenbek gedreven.
    Een oud meisje schrijft in mul zand,
    stuifverzen over eenzaam leven.

    In het slib van de Oude Schelde,
    woelt een verleden van stil verdriet.
    Maïs voedt er zich met dode helden,
    stroommasten zingen er mijn lied;

    De terpen ziltten van het bloed en zout,
    toen ze woest mijn onschuld stalen.
    Er was het splijten van vlees en hout,
    mijn knuffelbeer en stinkende bramen.

    Nog even koffie in café De Notelaer,
    wat pillen om eindelijk blij te dwalen.
    Hier eindig ik, mijn last wordt te zwaar.
    Verlos mij God: kom mij maar halen.
  • 4
    3193

    Musje

    1e ronde
  • 5
    3194

    Zomer

    1e ronde
    De Wapperstraat herinnert me wat ik vergeten was,
    kwetteren de mussen, als kinderen, me weer naar toen,
    zomers vol groen, gelach en geschaafde knieën,
    mijn jongenstijd, de ontdekking van het leven pas.

    Zachtjes fluisteren de nummers van gevels en portalen,
    tot mijn verleden zich spiegelt in het lood en het glas.
    En het kind dat plots in me danst en springt,
    uit het huis rent om joelend mijn jeugd terug te halen.

    In de Wapperstraat verwarmt de zon mijn hart nog even
    en ontwaakt de vrolijke jongen die ik vroeger kende,
    toen ik hier ogenschijnlijk, zomaar gelukkig was,
    de dagen lang, niet dacht aan het toekomstige leven.

    Maar ach, nu overwoekeren het verdriet en de zorgen,
    het fundament van mijn eerder zo blije gemoed.
    En kijk ik, voor ik ga, met weemoed naar het lege huis,
    waar ik het alleen zijn niet kende, voor altijd geborgen.
  • 6
    3195

    Moeder

    1e ronde
    Gisteren hoorde ik mama door het huis dwalen,
    terwijl vogels hun eerste ochtendlied floten,
    ze op daken van de vroege warmte genoten,
    zij iets zocht wat weinigen konden achterhalen.

    Terwijl zachte voetstappen door de kamers slopen,
    herinnerde ik me niet meer dat we gelukkig waren,
    maar toch kon de droefheid me niet verklaren,
    waarom er zoveel was misgelopen.

    Maar ik weet van mijn eigen moeder,
    dat ze worstelt met zichzelf om wat verloren is
    en 's nachts doolt uit diepe bekommernis,
    waakt over haar kinderen, de stille behoedster.
  • 7
    3196

    Rabós

    Top 1000
    Rabós kende zijn geschiedenis pas
    toen het geboren werd
    Verweerde glorie in de omarming
    van voorgebergtes, waar het tussen
    wijngaarden en olijfbomen sliep

    Mensen daar hebben er
    mijn diepe droefheid weerlegd,
    spraken van vreugde, vol
    als het land, zoet als de pluk,
    die al eeuwen hun geluk schiep

    “Droom zacht”, fluisterde ik, toen de maan
    geel licht over het dal streelde,
    ver weg schoten klonken, jager hond beval
    en later enkel stilte
    over woud en pleinen riep

    Mooi was er de tijd waarin
    het gekwetste heelde,
    mooi was het afscheid te nemen,
    de wind hier te horen zingen, over mij,
    over zoveel verloren en andere dingen
  • 8
    3197

    Progeria

    1e ronde
    De mens is er peilloos als het diepste meer,
    zijn oorsprong gezaaid in een lappendeken,
    van paarse weidezucht en woeste begeerte,
    hun kroniek verzilverd door zachte regen.

    Turf kleurt de whiskey en de grote rivieren,
    zalmen zwoegen er naar oude herinneringen.
    Mijn kind kan er zich voor het laatst spiegelen,
    een ets van wind en huid in waterrimpelingen.

    In de parelmoeren schubben van zeeminnen,
    ving ik voor een nimf de tranen van de maan.
    Toen ik stilte over schoonheid hoorde zingen,
    gaf jij geluk en weemoed voorgoed een naam.

    Jij leerde me titanium van leem onderscheiden,
    dagen als jaren, seizoenen als era's te gebruiken:
    Uit mijn kind zal nu jasmijn en brem ontluiken,
    mijn mummiemeisje vereeuwigd met de heide.

    Mijn ziel waakt aan het einde van deze aarde,
    over een kleine mus tussen kolossale meeuwen.
    In Caledonië zal je vrij zijn, geborgen slapen,
    uit mijn schoot eten, voor eeuwen en eeuwen.
  • 9
    3589

    De zachten

    1e ronde
    Met het blinde instinct van de mol,
    zoek ik het licht, het warme gloren.
    Met zure angst verlaat ik mijn hol,
    als een haas, liever nooit geboren.

    Ik ben de ijlte in voorjaarsmorgen,
    veilig proef ik mijn geborgenheid;
    een schuchtere scheut, verborgen,
    geënt in ongevaarlijke dorheid.
     
    Zacht aanhoor ik angstgeluiden;
    help de wereld door haar kilte.
    Mijn bunker verfoeit de luiden,
    mijn fundament kent enkel stilte.

    Ik droom even:

    Ik word de klampende bestuiving,
    de verlokking, weezoet voor bijen.
    Ik word de verbloemde bevrijding,
    het stille genot, de zoete huivering.


    Maar ijzer is de wet van het leven,
    haar juk trekt diepe, droeve voren.
    Niets wordt de zachten vergeven,
    wat frêle is, gaat altijd verloren.
  • 10
    3599

    Vogelschrik

    Top 100
    Na de crematie van mijn vader,
    voerde ik vandaag een vivisectie uit,
    ik sneed en reet maar vond geen ader,
    oogstte enkel gras, as en luizen.

    Ik heb hem maar euthanasie gegeven,
    zijn nek gebroken zoals bij de muizen,
    maar zijn kralen blik bleef star kleven,
    mijn assistent, de boer kan dit getuigen.

    We hebben hem weer terug gehangen,
    gekruisigd tussen rupsen en bladschade.
    Waar de raven nu kwetsbaarheid vangen.
    Na school ga ik op visite, zonder genade.

    In de weerloosheid van die strooien pop,
    wreekte ik de verschrikking van mijn vader.
    Ik zocht een hart, maar vond enkel de strop,
    van een beul, een pantser, een mensenhater.
  • 11
    4261

    Held

    1e ronde
    In een ingetogen wake aan een bevroren zee,
    een niemandsland waar golven bronstig burlen,
    brak ik mijn tanden op de botten van een ree,
    die ik van uitgehongerde wolven plunderde.

    Ik bad met de valk mee; in een verstilde jacht,
    ving ik ademloos de pels van de schemering
    en zoog later het merg uit de verkleumde nacht,
    schoot azimut op jouw vurige herinnering.

    Diep dolf ik naar mijn oorsprong van leegte,
    als slaaf van wat heremieten verdriet noemen,
    kwam ik in duisternis eindelijk mezelf tegen,
    kon me met aftakeling en verval verzoenen.

    Later wiedde ik de terpen van vergeten trollen,
    dankte hen voor de sprookjes uit mijn kindertijd,
    de chimaera van pracht, roem en heldhaftigheid:
    Nog eenmaal vaar ik als viking uit, vol digniteit.

    Oud word ik in het najaar van het leven wakker,
    met versleten blaas en snek die gal en alg lekken.
    Verzorgers lachen om het Walhalla van stakkers,
    waar wij de dood smeken, naar te mogen vertrekken.
  • 12
    4950

    Het gesticht

    Top 1000
    Distels en netels ruisen weer,
    putten en kuilen worden poelen.
    Bladeren spelen stuifsneeuw,
    tussen mijn altijd dode verzen.

    Late hondsdagen gaan wild tekeer,
    ze klauwen met veel geschreeuw,
    naar de boom met valse kersen;
    ik kan het zieke najaar proeven.

    Wij tooien ons met rag en veren,
    paraderen als bevallige hoeren.
    In het aangezicht van de bezetene,
    krast dwang haar bittere groeven.

    Om niet langer pijn en leed te voelen,
    om angst en verdriet te vergeten,
    verkrampen we tot tonische beelden,
    door rouw en zwakte aangevreten.
     
    ’s Nachts voel ik de zin van waan,
    als herhalingen littekens tekenen.
    Rauw verwondt een holle maan,
    het aangezicht van de bezetene.  

    Heel soms sluimerde ik even,
    in liefde, in hemelgewelven;
    treurde om oude beminden,
    vroeger, in dat voorbije leven.

    Nu als stormen graven vegen,
    breken wij, als het dor knakken
    van beenderen en dode takken;
    door de eeuwige herfst gedreven.

    Ja, als hoofdarts van dit gesticht,
    als alma pater en empathisch broeder,
    krabbel ik wel eens graag een gedicht.
    God is hier dood, waanzin mijn hoeder.
  • 13
    5642

    Zoals Laika

    1e ronde
    Gefilterde zonnestralen op de keukentafel,
    het fileermes doorheen mijn kinderjaren.
                         Er is een maximum aan leed dat een mens kan dragen.

    Ik mat mijn vrijheid aan vaders krakende stoel:
                         Er bestaan mensen zonder licht.

    Ik ben verslaafd aan een zekere vorm van heldhaftigheid:
    het vergooien van harpoenen op witte walvissen,
    roken en valse vrouwen, het krabbelen van wat dicht.
    Het is een eenzame strijd
     
    Sommigen polijsten hun “verzen” als basalt,
    spuwen ze uit als een gletsjer zijn morenen

    of een moeder haar ongewild kind.

    Ik onsta schuchter in wat staat geschreven.
    Verdamp met de wind

    Ik begrijp diegenen die gelukkig zijn,
    niemand hoeft om iemand te wenen.
     
    Ze noemen mij vaak hond: ik heb hen als vlooien op mijn pels gezien,
    op weg naar het universum, tussen miljoenen sterren.
    En miljarden werelden.
    Nooit ben ik gezwicht:

    Ik ben een shuttle, een shuttle van licht
  • 14
    9012

    Essentie

    1e ronde
    Ik kraakte zoals versleten grammofoonplaten,
    toen ik in de Indiaanse zomer even ging zitten.
    Ik was alleen, enkel herinnering wilde nog praten:
    over de klamme greep van charme en zwoele hitte.

    Ik zwierf weer jong over mijn prille universum,
    mijn geest dwaalde als een djinn over de oases,
    zocht de bron van Berbermeisjes en zoete dadels.
    Reisde met de zinderende zon naar aequinoctium.

    Ik mat mijn vrijheid aan de warmte van oceanen.
    Gewiegd door het pantser van ontelbare krabben,
    gedragen door blauwgebalde extase van haaien,
    sluimerde ik in de schelp van riffen en wrakken.

    Nooit was ik in het oerbos en nevelwoud alleen,
    omarmd door immense lariksen uit het hoogland:
    Bouwde ik er een thuis van hout, mos en steen,
    hier kwam de onrust van een doler tot stilstand.

    Traag at ik op de bank mijn brood, leste mijn dorst,
    zag in de druppels en kruimels die ik had gemorst,
    mijn stilleven, ik minachtte zijn voorbije waarde:
    Uniek als het kolossaal fundament van deze aarde.
  • 15
    9895

    Cartagena

    1e ronde
    Wij waren de jonge honden 
    van een zonnig en vrolijk land.
    Hand in hand, het eb en vloed
    van de tropen, op het strand.

    WIj sliepen met de hete adem,
    de zoete geur van de Caraïben.

    Wij waren de onbezorgde generatie,
    de jeugd die niets had te verliezen.

    Wij waren de nieuwe seropositieven
  • 16
    9906

    Vrij

    1e ronde
    Ik heb bloemen geplant,
    waar mijn graf zal zijn.
    Het perkje netjes afgekant,
    een kleine zerk uitgekozen,
    met mijn naam in goud
    en mooie verzen vol rijm.

    Kiezels sieren het zand,
    geven een zachte schijn,
    aan de marmeren rand.
    Ik twijfel nog om rozen,
    kruis van steen of hout,
    bidprentjes zijn al gekozen.


    Gelukkig zal ik zijn,
    daar aan de overkant

    Nooit meer jij, alleen
    nog mij, in dat vrije land. 
  • 17
    9907

    Wittebroodsweken

    1e ronde
    Torens van goud in sinaasappelregen,
    paleiselijke lustoorden en zwanengezangen,
    pleintjes en patio’s in schemer gevangen,
    ja, zo verwelkomde de stad ons tweeën, 
    in de betovering van wittebroodsweken.

    Dat ben ik nooit meer vergeten.
    Toen de kanker je begon aan te vreten.
2012
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    2376

    Diana

    1e ronde
    Wie schuilt in dit land, verlegen?
    Tussen gebruind olijfhout, Diana,
    met dat glinsterend hertekalf
    is zij godin van Grieks woud.

    Soms trilt haar pees, een stilleven,
    wanneer ze wild vergult met eer,
    zo tijdloos als de zee het zout
    van dit roestbruine eiland likt.

    En 's avonds schikt zij haar offers,
    op de berg waar Zeus troont: die
    verwacht, zijn dagelijks bacchanaal
    van veren, vacht en woest drinkgelag.

    Zo moet zij hemelgewelven kronen,
    het zonnehart bloedrood schilderen,
    haar kus; de grootste helden belonen,
    gracieuze schim, godin van de jacht -

    Dit althans, volgens bekende annalen.
    Ik weet beter nu, na delven in eeuwen.
    Meisje, droeve wees, schreeuwlelijk,
    een dienster, net als zovelen.
  • 2
    2377

    Sporen

    1e ronde
    Ik herinnerde me zijn baken, papa die vasthield,
    rag en kranten, de roep van woud in tak en regen;
    Zilverdrijverij vol chrome dromen van een kind,
    dat bloem en bloesem groet in voorjaarszegen.

    Onze trein in de meander van lei -en lindenkragen,
    samen in een schaterlach van calciete schittering.
    Dartel licht, waarin zwaluwen en vlinders baadden.
    Verder! In een universum van groene betovering.

    Pas later ontdekte ik de weemoed van sprookjes,
    rook de sporen van zwammen en weeë zonden.
    Werd oud in een heksenkring vol kleine doden,
    vol ongeloof dat ook vaders sterven konden.

    Nu veeg ik mos van zijn zerk, zal nooit vergeten,
    probeer uit wortel en as voorbij bestaan te zeven,
    zoek zijn spoor in de baan van de verste kometen,
    kruip in holen van maden en kevers, diep beneden.

    Rust maar papa, spoedig zal ik je vergezellen.
    Laat nu worm en eenzaamheid aan me vreten,
    laat humus me verteren, het water zwellen.
    Ik kom, aarde zal ons innig samen boetseren;

    tot kolossaal monument van eeuwig leven.
  • 3
    2378

    Sirene

    1e ronde
    We zijn samen op stranden, verlaten.
    Was het in '7O?, '80?, misschien later.
    Mensen zonnebaden, kinderen schateren.
    Mijn lichaam verraadt voorbije jaren.

    Oud is de stem van golf en wind.
    Verzilt de adem van meeuwen,
    als ze vertellingen ruisen, je lach,
    weemoedig over duin en breker zingt.

    Weet je nog van toen Milena?
    De wereld, de hemel, wij tweeën.
    Onze naam in zand tussen je tenen,
    later in een golf, een zucht, alles verdwenen.

    Ja, nu is je huid van koraal en algen,
    nu ben je een zeemin, zo bemind,
    de koningin van krabben en alen,
    de godin van slib en zilt, ongewild.

    Bij een zee die eens botten zal braken,
    in '85?, '90?, '95?, misschien later,
    tel ik het verlies van haren, mijn kind,
    blijf op je wachten, hier aan het water.
  • 4
    2381

    Bunkers

    1e ronde
    Ken je dat, zo'n weekend met mooi weer,
    mijn pa en ik gezellig naar zee,
    waar we picknickten in de duinen
    met op de achtergrond de bunkers van WO2.

    Ja, daar stonden ze, met pijnlijk verleden,
    ondoordringbaar en stil, zo star en koppig
    en ze zwegen, omdat er niets te zeggen viel.

    We zijn die dag niet lang gebleven,
    die bunkers leken verdacht veel op ons tweeën!
  • 5
    2382

    Oma

    1e ronde
    Oma heeft vlekken op haar jurk
    maar niemand die er op let
    en het sneeuwt als ze kruimels
    morst, maar de weg is ze al lang kwijt

    Eén hapje hier, ééntje daar
    voor elke geliefde
    die oma verloren heeft

    en ze blijft maar eten
  • 6
    2384

    Wolf

    1e ronde
    Er waren pijnbomen vol kraaien,
    mijn vader en het kreunen van veen.
    Late bessen kleurden en verdronken
    in sluipend verlangen van sappig leem.

    'S nachts vingen we in koele meren,
    schubbige sterren en ander leven,
    huilden naar de maan om de wereld
    van messen en stervelingen.

    In het achterland van de hagel,
    vluchtten we naar verzonken vertes,
    waar we tussen varens speelden,
    elkaars trouw voorgoed bevestigden.

    Grauwgeel waren ze, toen we schoten,
    de welpen hebben we maar neergestoken.
    Ja, geen genade roofdier, canis lupus,
    goed zal je smaken in stoofkarbonade.

  • 7
    2386

    Vrij / Slaaf

    1e ronde
    Ik slaap uit zoveel ik wil,
    heb geen uur, geen tijd.
    Als ik honger heb, eet ik,
    om daarna wat te wandelen.

    Genieten doe ik elke dag,
    zalig dat lanterfanten!
    Haast ken ik niet, alles mag,
    niemand die me iets verwijt.

    Ik heb me tot president
    van de vrijheid verkozen.

    Ik ben een werkloze.

    /

    Ik slaap uit zoveel ik wil,
    heb geen uur, geen tijd.
    Als ik honger heb, eet ik,
    om daarna wat te wandelen.

    Genieten doe ik elke dag,
    zalig dat lanterfanten!
    Haast ken ik niet, alles mag,
    niemand die me iets verwijt.

    Ik heb me tot president
    van de vrijheid herkozen.

    Een slaaf van het nutteloze,
    tot mijn grote spijt.

    Een werkloze.


  • 8
    4769

    Tehuis

    1e ronde
    Ik voel het continent bewegen.
    Mijn hoorapparaat ruist: de zee spreekt van heimwee, eb kleedt
    het land met afval en zandkastelen.
    Ik speel oxo met pigment om me 's middags niet te vervelen.

    Later ruikt het licht naar gras.
    We drinken decaf, slikken pillen tegen het huilen.
    Er kleeft brood aan mijn verhemelte,
    kruimels strooi ik rond om niet te verdwalen.

    April komt met het venster open,
    wit is donderdag en zaterdag is alles stil.
    In Chili spreken ze nog steeds Duits,
    lees ik in een magazine.

    Met Pasen komt geen bommenregen,
    maar iemand met een keyboard en een uitstap naar de zoo.
    Ik mors ei op mijn mooiste hemd.
    De dokter geeft me nog maar even.

    Ik vergeet vaker mijn naam,
    groet als een verwonderd kind de dingen.
    Maar familie blijft me genegen,
    met een pannenkoek, zondag in de creazaal.

    Als ze me laten inslapen,
    na een lang en dankbaar leven,
    wenk ik mijn dochter:

    "Het blijft zo'n zonde van die vegen."
  • 9
    4775

    Dagboek van een faun: Neoplasma malignum

    Top 1000
    Mijn huid huilde; er schuilden bijen in haar stam
    een witte imker oogstte as uit woekerende raten
    pikte de uitwas op mijn kop kaal, als een gaai
    bij wasbeurt sneeuwde het schilfer en schaamte

    's Nachts zocht ik in het labyrint van schimmen
    de roes van vergetelheid, zwevend op morphine
    in de verre echo van de ziel spon ik mijn cocon
    een gnoom van strengen, hol en leeg vanbinnen

    In de tunnel mat ik de kracht van de veerman
    snerend beval hij pasmunt om voort te reizen
    later danste ik op het dagelijkse bal van doden
    als een faun het bloed uit mijn bokkende poten

    Ik kreeg veel bezoek, in eindeloze legioenen
    nestelden grijnzend demonen zich in bed en bot
    vraatzuchtig hielden ze festijnen in vel en cel
    ik werd de gastheer van gedwongen orgieën

    En bij dageraad kraaiden de steriele clowns
    vol aanbidding tot hun toegetakeld schrijn
    een kadaver in oervorm, een stuipend zwijn
    Ik nam afscheid in een allesomvattende pijn.



2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    8392

    Tableau vivant

    Top 100

    Op tafel ligt mijn jeugd van stof, rag en as

    foto's vijlen het eelt van verdrongen jaren

    schreeuwen naar wat nooit vergeten was

    de genadeloze wereld die mij baarde

     

    Het fundament: twee mensen zonder licht

    de vergroeiing van ventriloquist en pop

    willoos fluisterde moeder zijn gedachten

    met ijzeren vuist streelde hij haar gezicht

     

    Strak stonden kleine marionetten te beven

    de kroost als uitwas van zinloos bestaan

    onze ziel een ruïne van ongewilde genen

    een stamboom van littekens en weren

     

    Ons huis woekerde in die droeve waan

    als fungi waren ketting, kelder en vader

    de verschrikking van zijn kille gebaren

    de bestiale drift in zijn kloppende ader

     

    Er was de stank van varken en moeras

    broertje die vrede vond aan de haken

    wellustige slachters bij bloed en kraken

    een calvarie van vet en krijsend karkas

     

    Zusje gaf zich op een uitgeteerde akker

    aan zwart land, ongrijpbaar als de leegte

    kraaien vonden haar, omarmt door stilte 

    ze sliep in bij moeder tussen tor en kever

     

    "Mooie tijden", hoor ik hem prevelen

    terwijl ik drank in tandeloze kilte lepel.

    Ik ben de jongen van de foto gebleven

    zijn benjamin, zijn slaaf, zijn onteerde

     

    Meedogenloos zal hij mij overleven.

2014
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    9519

    Biografie over de leegte

    1e ronde

    ...

  • 2
    11162

    Mijn stad

    1e ronde

    Schepen snijden door haar aderen

    het geurt hier naar continenten

    De zucht van verte verzilt de haven

    meeuwen vertellen haar legende

    's Nachts dwaal ik door haar raderen

    bewonder haar verweerde ornamenten

    Een melancholie van ontelbare jaren

    ademt stof uit haar fundamenten

    Tijd heeft hier zool en ziel versleten

    In webben van straten en grachten

    wordt weemoed en stilte geweven

    in eeuwen van hoop en smachten

    In mijn stad slapen wijsheden

    in het merg van kolossale stenen

    Soms verloren soms geschreven

    in haar hart, in haar genen

    Ook ik word een granieten gedachte

    word haar erts in calciet gedreven

    Word waar ik zo lang op wachtte

    een monument van eeuwig leven

2016
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    7281

    R.I.P.

    Top 1000
    In Varanasi leek het leven gebarsten
    heden liep er gebogen; mank als de
    bedelaars onder haar schaduwpoorten,
    bedaagd als geheimen, lang vervlogen

    Hier schreeuwden apen en ouden,
    wanneer doden de Ganges verzilverden
    vertelden Sadhu’s van droeve gezichten
    die achter sari’s om de wereld rouwden

    Arenden waren er net kleine kinderen
    die joelend naar baars en witvis zochten
    tot het licht boven Assi Ghat minderde
    ratten en water om de nacht vochten

    Trots waren de koperen Pradeshmensen
    om hun zijden stad, haar geweven legende
    waar de wereld haar aangezicht toonde
    in goddelijke verlossing en stille wensen
    in armoede, verdriet en eeuwige ellende
  • 2
    7288

    Criptum: extrema insolencia

    1e ronde
    In het museum waren veldslagen gestreden
    maar enkel stof had de oorlog gewonnen
    en godenbeelden, klam en aangevreten
    sliepen in nissen, door duister verdrongen

    Vergeeld manuscript verhaalde in Sanskriet
    de zoete jaren die sluiervrouwen verloren
    van stille liefde en kinderloos verdriet
    die in Maharadja’s paleis werden geboren


    Sandelhouten soldaten geurden er naar wouden
    ornament en steen naar de stad haar gebeente
    waar hindimensen om hun doden rouwden
    ‘s nachts hongerige visserskinderen weenden


    In het museum verbrokkelde tijd elke zonde
    werd wat opgegraven was weer vergeten
    en de enkelingen die hier waarheid vonden

    konden enkel huilen om hun eigen verleden

  • 3
    7290

    Ecce homo: tuinman

    1e ronde
    Hier klokken vogels en ritselen eekhoorns
    omarmen lianen innig de banyanbomen
    Soms kraakt bamboe zijn gewrichten
    zucht de modderkleurige hemel en denk ik

    aan boomgalerijen van verstilde treurnis
    waar het peulvruchten regent en waterjuffers
    onbelangrijke geschiedenissen schrijven -
    aan mensen die er mijmeren

    Kil is het voorjaar hier, -en donker
    en zo zijn de sarivrouwen die er dolen
    sussend langs me heen ruisen, in sluiertaal
    met vlinders en dode kinderen praten

    In het park verdwaalden de woordeloze dagen
    waar jouw zwijgen hing in mistige dreven
    het voorbije reeds de wereld kleurde, ik in
    een land van droefheid ben achtergebleven


    Koud kan je het najaar hier noemen, en duister
    als ik bladeren veeg, alleen ben met verliefden
    die onder paraplu’s de herfst weg fluisteren,
    trekvogels hoog over me heen tranen

    En ‘s avonds aan de gesloten poorten
    roept het park me terug, wenken de kromme

    banyanbomen, om bij hen te blijven
    te vergeten, wat nooit meer terug zal komen


  • 4
    7291

    Hibernia

    1e ronde
    Er staat een reiger als was
    een zuil in ijs gedreven
    grijs met het land verweven
    geboetseerd uit klei en dras

    Er staat een boom te wenen
    een mammoet van wijsheid
    zijn merg draagt de genen
    van stilte en afscheid

    Er staat een man van glas
    door de maan beschenen
    op een akker te verstenen
    als een vergeten uitwas

    Er hangt een vrouw aan vlas
    een orchidee in late bloeitijd
    die sluimert in oneindigheid
    een ring, zijn foto, haar karkas

    In een winter van dood en as
    brak hij in duizend scherven;
    krasten kraaien onbewogen
    om hun eenzaam sterven





  • 5
    7292

    La fabrica

    1e ronde
    Bij ochtendgloren
    als de sirenes kreten slaken
    en monden van poorten
    nachtploegen braken
    De laatste sigaret samen
    een ritus van eenzamen

    Hier heersen neonzonnen
    die fel over ons waken
    ruggen doen krommen
    het hart verdrietig maken
    En als de pompen stampen
    lijkt het hoofd te kraken

    Wanneer zij hijgt en brult
    machines oneindigheid ratelen
    zwoegen wij met ijzeren geduld
    aan een labyrint van stangen
    staal en aderen; wij de raderen
    slaven van tanken en kranen

    Hier tussen metalen klauwen
    strijden onze versleten zielen
    tegen mechanische goden;
    de strijd van titanen
  • 6
    7293

    Palatium

    1e ronde

    Het paleis lag in modder verzonken
    kikkerkoningen hadden de maharadjah verstoten
    troonden tussen legers en glorie van groten
    die onder kroos en tijd waren verdronken

    Hier roesten Birmaanse zwaarden en schilden
    jaagt men in zalen vol verlepte trofeeën
    nog enkel op motten die het zijde aanvreten
    en wormen die krielen in speren van wilden

    De zee ruist in koralen kasten
    schelpen ruiken er naar vletten en dode helden
    en visserskinderen die de krabben vertelden
    van wind door zeilen en krakende masten

    In zalen fluistert nog het stille sterven
    van voorbije praal, de wenk van smaragden
    zelfs ik danste tussen het paars en de scherven
    met muffe schimmen en zondige gedachten

    Later kleurde avondrood diep verlangen
    daar aan de kade waar jollemannen riepen
    waar het water ons suste in innig omarmen
    waar we sliepen, de wereld ons toelachte



  • 7
    7294

    Patio

    1e ronde
    Wat banken, speeltuig, loomheid
    van zwetende struiken
    mijn voetstap die even aarzelt
    zindert over het plein

    Vrouwen kwelen volksheid
    luiken en blinden koesteren het voorjaar
    zwaluwen ondertekenen de schone lei
    van blauw en vlokkig wit, ik buig-

    met versleten zool en ziel
    tussen krijttekening en touwgetrek
    voor kokette bloemen en meisjes

    En als de mensen verdwenen zijn
    glinsteren guirlandes en lantaarns

    over mijn hemelbed en sluimer ik
    tussen mijn diepste wensen, de lente in