Biografie van Sijmen Tol

SIJMEN TOL schrijft gedichten in twee varianten van het Nederlands: meestal in het Algemeen Nederlands, af en toe in het Volendams, en soms in een mix van beide. In alles wat hij schrijft is verbazing terug te vinden over de lachwekkend ingewikkelde eenvoud van het leven. Dat kan zich uiten in gedichten over het liefdesleven, zijn persoonlijke geschiedenis of directe omgeving, maar ook in gedichten over taal of het functioneren van de hersenen. Hij werd in 1950 geboren in Volendam. Na de lagere school ging hij naar een seminarie in de buurt, maar een eenzijdige romance van een half uur in de bus naar het internaat maakte vroegtijdig een einde aan zijn priesterroeping. Na het gymnasium studeerde hij Slavische taal- en letterkunde aan de Universiteit van Utrecht en boek- en bibliotheekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1975 tot 2009 woonde hij in Gouda, en nu in Edam. Van 1989 tot 2016 was hij werkzaam als redacteur van de internationale Linguistic Bibliography, tegenwoordig uitgegeven door de Leidse uitgeverij Brill. In april 2016 ging hij met pensioen. Nog op het gymnasium begon hij gedichten te schrijven, aanvankelijk voor de schoolkrant, maar van zijn productie tot halverwege de jaren ’70 is vrijwel niets bewaard gebleven. Zelf betreurt hij dat niet bijzonder. Gedichten van zijn hand werden gepubliceerd in de bundels Haacht literair (Kulturama, 1992) en In het voorbijgaan (Kontrast, 2008). In 2007 was hij een van de deelnemers aan de tentoonstelling Foëzie in MuseumgoudA, een samenwerkingsproject van dichters en fotografen. Een van zijn inzendingen voor de Turingprijs 2013 is opgenomen in de bundel van dat jaar. Daarnaast treedt hij regelmatig voor het voetlicht op kleine literaire evenementen, meestal samen met zijn partner Frouwkje Zwanenburg.
2013
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    1663

    Hier gebeurt niets

    Top 100

    Laat ik verklaren wat hier gebeurt.

    De verpletterende veelheid aan gebeurtenissen

    maakt onze aandacht noodzakelijk

    en onmogelijk. Waar gaan we naar toe,

    wil de kleuter weten – alleen zij

    kan het weten, want de buurvrouw slaapt.

    Verdoofd door het onstuitbaar getinkel

    van de windgong is zij neergevallen.

    De waaischijf trilt en treitert, zodat

    het zichtbare vliegtuig zich heel hoog achter

    witte nevel verschuilt. En elke slag op het metaal

    trekt een hommel dieper de lavendel in.

    De atalanta kan onder dit geweld

    nauwelijks zijn vleugels heffen, zodat

    de onverstaanbare stemmen luider lachen

    en de dijk op vluchten. Toch schuift de schaduw

    schuchter door de slipjes – wie zou anders

    de poort weer sluiten?

     

    Zo schokkend is dit alles, dat onder

    de rotanstoel het zwarte monster

    aan zijn kabels rukt. Vruchteloos –

    de druif blijft immers groeien, dus

    hoe zou dan ooit het windconcert het bed

    op kunnen maken?