Biografie van Cornelie Samsom

Cornelie Samsom is auteur en beeldend kunstenaar en doceert freelance voor de AKV st. Joost. Ze schrijft voor kunstenaars en instellingen en ontwikkelde landelijke educatie projecten waarin klassieke media werden verbonden met jonge makers en publiek. Momenteel werkt ze aan een serie gedichten en aan de onderwijsmodule En wij dan, met als doel jongeren met verschillende achtergronden met elkaar te verbinden. Foto Marcel De Buck.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    10022

    Blijven

    Top 100
    Blijven
     
    Er groeien schubben op dit been,
    schuldig geheugen van wat onder water moest blijven
    een glibberig dier dat ’s nachts van het bed glijdt
    om nog één keer naar jou te kijken.
     
    Vergeten. Kon het maar chirurgisch
    met een scalpel weefsel laten wijken
    handen die zakelijk spartelend vlees verwijderen
    in naam van stabiliteit, wildgroei die wraak neemt
    met één achterblijvende cel de kans op overleven
    is gunstig als ik zwijg en mijn best doe
    daar is over nagedacht
     
    De liefde kijkt toe terwijl ik met een schort voor
    mijn onderarmen schrob dus
    dit is het, zeg ik.
     
    Desinfecteren bij de wastafel, hopen
    dat het wegblijft in een hemd verweven
    met de man die je hier naar toe bracht
    de stof ruikend naar kind, zijn armen om je middel
    als hij weg is, hij houdt van je
    om je vissenhuid.
     
    Dit is mijn huis.
  • 2
    10049

    Kaal

    Top 100
    Kaal
     
    Verderop verzuipen we onze zintuigen
    bewegen onze lichamen soepel radiografisch
    bestuurbaar tussen de zware jongens, dansen
    in een tollende ruimte waar sneeuw onder zwart
    licht op je schouders gloeit, ik de angst in je veren voel
    hoop als dauwdruppels op de wanden ligt het ritme
    bokt achter onze slapen. Braken doe ik in een hoek
    de plee zoiets van onbegaanbaar, mijn jas raakte zoek
    je gezicht vloog tegen het raam te pletter iemand zag
    een vlerk uit je t shirt steken.
    .
    Hier komen we tevoorschijn, twee schuwe dieren
    in een slapende straat. Rousseau die schreef over vrijheid
    hangt in de etalage maar wij weten het niet,
    onderkoelde anesthesisten die zich overal uit lullen
    onze geheimen ontkoppeld in de hyperstilte, niets
    en dit, nu. Ik denk aan de open plek in je haar
    een oog van huid waarop niets wilde groeien
    de pet die je droeg als de zon fel was.
     
    Wil je mijn jas vraag jij, voor de weg naar huis
    het is niet ver zeg ik en hoor de stadsvogels al
    vervloekte wezens ze overleefden alles, vliegen
    met gerafelde vleugels puisten of één poot
    wat als we blijven zwijgen
    op een dag onvindbaar zijn.
     
    Kou masseert mijn armen, mijn fiets wankelt
    aan de hand die in gedachten je wang,
    het spoor van bloed op je lippen streelt.
     
    Later, zeg ik.