Biografie van Rogier de Jong

Rogier de Jong (Groningen, 1952) schrijft geen hermetisch gesloten poëzie maar gedichten waarin hij kan wonen. Daarom noemt hij zichzelf met een knipoog naar Franz von Suppé 'dichter en bouwer'. Zijn poëzie onderzoekt in een ogenschijnlijk heldere taal de betekenis achter mensen en dingen en de plaats daarin van de dichter. Rogier de Jong publiceerde in diverse literaire tijdschriften, waaronder Tirade, De Brakke Hond, Ballustrada en Meander Magazine. In 2018 bereikte hij de top honderd van de Turing Gedichtenwedstrijd. Voorjaar 2019 is bij uitgeverij Liverse zijn debuutbundel 'Memento' verschenen.
2017
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    7487

    Neem de dingen

    1e ronde

    Ik neem de dingen
    zoals ze zijn. Dat

    wil zeggen: zoals ze
    zich aan mij voordoen.

    De grote vraag daarbij
    is of de dingen er zelf

    zijn of dat ik ze maak.
    En als ik ze maak,

    kan ik ze dan nog
    nemen zoals ze zijn,

    of neem ik ze
    zoals ik ze maak?

    Is dit een gedicht?
    Ik weet het niet.

    Ik neem het zoals
    het is. Zoals
    het mij verliet.
  • 2
    7489

    Lola rent

    1e ronde
    Laatst waren we op straat
    iemand aan het reanimeren.
    Een jonge vrouw kwam eraan.
    Oordopjes in, sportkleding aan.
     
    Ze keek op haar smartphone en botste
    bijna tegen ons op. "Kut," zei ze.
    Lola! Mooi, ongetekend,
    zorgvuldig door de molenwieken
     
    ontweken, rent ze in haar vlijmscherpe
    oester dwars door de zwijnen.
    O, wat gun ik Lola haar
    parels. Wat houd ik van
     
    haar ongenaakbaarheid,
    haar onaanraakbaarheid,
    haar nieuwsgierigheid naar andere
    Lola's, haar onverschilligheid
     
    tegenover het oude, de glorie
    waarvan de glans is vergaan,
    het krimpende appeltje in de
    fruitschaal, het kwijnende,
     
    het verdwijnende, het koude.
    Jammer dat we niet weten
    waar en wanneer we sterven.
    Lola moet rennen.
     
    We mogen haar hand niet lezen,
    niet haar toekomst voorspellen.
     
     
     
     
     
     
  • 3
    7493

    Langzame trein

    1e ronde
    Er komt een erg
    langzame trein aan.
    Zijn stoomfluit gilt,
    hij nadert de bocht.

    Aan boord zitten de goden
    achter een kop gouden thee.
    His Bobness himself
    staat schreeuwend voorop.

    Hij zwaait met zijn hoed.
    Waar waarschuwt hij voor?
    Een kapotte wissel? Een
    afslag naar Babylon

    waar het geld heerst
    en de sjeiks neusringen
    dragen? Waar de
    leugen regeert?

    Bob, o Bob, ik zie wat je doet.
    Je vlagt met het eerste gebod.
    Ik heb je mijn aanbidding gegeven.
    Je geeft me psalmen terug.
     
     
     
     
  • 4
    7496

    De kunst van het fietsen

    1e ronde
    Opeens was er een
    rijwiel: een zwart klimrek
    met jasbeschermers
     
    en een dynamo. Men zwom
    zich nog voort, maar water
    werd algauw tegenwind,
     
    kieuwen werden molenwieken.
    Daarna kwamen de motoren.
    De stemverheffing
     
    des volks: ach, een
    wielrijder. Hoe anno!
    Maar wie is er nu sterk?
     
    Wie raakt er verblind en
    wie spaart voor een goudvis?
    Zie, ik fiets. Ik ben
     
    boven water. Mijn benen
    bemalen de lucht. Mijn
    zweet is mijn zwemwater.
     
     
     
     
     
     
  • 5
    7501

    Het vlakke land

    1e ronde
    Soms vind ik het jammer dat bijna
    nergens in Nederland gesteente
    boven de grond uitkomt.
     
    Dat de kloven en dalen diep
    onder onze voeten bedolven
    zijn door een dikke laag grond.
     
    De vlakte waarop wij
    leven staat getekend
    op ons gezicht.
     
    Effen bezien wij de wolven
    aan onze kust. En de golven,
    in het Hollandse licht.
     
    Calvijn is niet onze
    aartsvader. Wij zijn
    geboren uit sediment.
     
    Klei is de god die onze
    voetsporen vult en onze
    voetstappen dempt.
     
     
  • 6
    7504

    In poëzie kan ik wonen

    Top 1000
    In poëzie kan ik wonen.
    In verhevenheid
    vind ik mij niet.
     
    Tijdig ben ik aan
    de slag der gulden
    sporen ontkomen.
     
    De zwaarden en dode
    paarden staan me nog
    helder voor ogen.
     
    Op de Olympus, waar de goden
    wonen, is de lucht ijl en
    het hart niet gezond.

    Vlees en bloed gedijen
    er niet. Blijf onder
    de boomgrens,
     
    waar het onkruid
    de stervelingen wild
    op de mond kust.
     
    Kijk, het is mei. Het leven
    ontkurkt zich. De hemel
    lonkt naar de dampkring.
     
    De goden willen vallen.
    Ze bereiden zich voor op
    een fluweelzachte landing.