Biografie van R. Spruijt

René Spruijt (november 1948) is opgegroeid als de middelste in een gezin met drie jongens.Hij heeft zijn jeugd doorgebracht in de vrijheid tussen velden en sloten. Was mogelijk toen al op zoek naar de esthetiek van de modder.Leren zien, bezien en inzien kenmerken zijn leven in de wereld en in zijn poëzie. Op velerlei manieren heeft hij de opgedane visuele ervaringen en de achtergelaten indrukken weer gegeven in beelden: schilderen, 3-dimensionaal vormen, verhalen en poëzie.Kunst houdt niet van traditie, maar zoekt vernieuwing. Kunst moet schuren en schurken.
2014
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    6251

    Diner

    1e ronde

    Jij was het, heel de dag al

    die de keuken vulde

    met geuren van gebraad, het roeren,

    het tikken op de kookplaat. Je eten vulde

    vroeg reeds mijn mond met speeksel.

     

    Aan tafel strelen woorden onze oren of vallen

    samen met herinnering, een enkele maal

    op de grond, waar ze woordloos worden

    weggeveegd, en over tafel geven wij

    als gewoonlijk blikken door.

     

    Op de klokslag nemen we beiden 

    een vork en een mes. Jij strijkt de brief

    van de zoon glad en ik leg dochters dagboek

    open. Zij worden onweerlegbaar groter

    maar niet ouder nog. Jij knoeit jus, ik

    slurp spaghetti binnen. Je lacht.

     

    Ons rest nog een dessert

    met slagroom of eiwit zoet geklopt,

    een hete espresso na, gewoon verveeld

    met sigaar en mijn buikig lichaam helt

    als de kaarsen doven. Wij laten op het aanrecht

    voor nu de vuile vaat. En kijk,

    het lamplicht blijft branden

    als de nacht valt.

  • 2
    6252

    Over de kinderen

    1e ronde

    Zelfs de woorden die wij schrijven

    zullen de kinderen niet weerhouden

    wereldleiders te verstaan

    als spraken dezen als goden,

    zullen hen niet weerhouden

    puntige vingers te zien

    als wezen deze de juiste weg.

     

    Wij dienen te zwijgen, weten niet

    welke idealen onze kinderen de oren wassen

    met welk groots gelijk, met welke enige waarheid

    dezen de wereld onder henzelf verdelen,

    de huizen van onze ouders onder luid geraas

    voor het laatste bezoek verplaatsen.

     

    Wij strelen onmachtig de kinderen

    hun gewonde armen, wij

    bedekken met diepe kussen hun lichaam

    likken met korte tong hun oren schoon.

    Al rijden nog deze vreemde vrachtwagens vol honger

    door onze straten, langs onze huizen, na onze stad

    verder als bestonden wij niet, als was onze grond

    van dezen gepacht en al is onze woning een verpletterd

    thuis, de kinderen strelen wij hun harten, blazen

    hun geesten in weerwil van dit alles leven in.

  • 3
    6253

    Waterloop

    1e ronde

    Hoewel vol herinneringen en moeizaam

    ter been wandel je de oever langs.

    Alle woorden die je weet

    van Kleine Aa tot brede Vliet

    zijnde begin en einde

    heb je aaneen gesmeed

    tot de krijgshaftigste taal die je kent

    en haperend neergeschreven

    klein en kwetsbaar op wit papier.

    En toen

    je kon het weten, zo speels nog,

    heb je er een bootje van gemaakt en dat

    als feesthoed in de beek te rouwen gezet.

     

    Daar drijft jouw oorlogsschip,

    jouw liefdesboot voor wie verderop

    stadwaarts, onbekend

    enteren en ontvouwen wil,

    jouw taal ontmoet

    en diep bevroedt

    dat stroomopwaarts

    iemand zijn reden van bestaan

    weifelend woorden heeft gegeven

    en als Charons boot heeft laten gaan.

2015
  • Nr.
    Titel
    Tekst
  • 1
    8696

    uit het Land van Ooit

    1e ronde

    Mijn Reus,

    Mijn Held,

    Mijn kinderlijke grootmoedswaanzin,

    wat lig je ielig klein

    je ijverige handen gevouwen

    op je fiere borst.

    Mijn jongensdroom:

    je had altijd de handen uit

    de zakken, bezig met fietsen

    lakken met vrienden stoeien                                         

    in oorlogstijd, een vijand doden

    daarna mij

    op de schouders kloppen.

     

    Slapen bonkend

    hersen knijpend

    ogen dicht, ik die

    al mijn denken

    op je richt

    en je beeltenis niet pak:

    hoe je was -HEE-  en wie

    vervagen in het duister.

     

    Ribbels van jouw stemgeluid

    vleugjes geur in je gesteven overhemd

    en lichaamswarmte en ook je

    avondkin op mijn kinderwang.

    En nu, ouder, ik denk,

    ruik ik ook je zure voeten.

     

    Mijn jongensdroom,

    ik neem je hand niet op

    hij is koud en roerloos

    al urenlang van bloed ontdaan.

    Dat wij elkaar ooit nog raken

    vader

    ieder aan de overtoom.