Winnaars 2017!

Op woensdag 31 januari zijn tijdens een live-uitzending van het radioprogramma Met het Oog op Morgen vanuit de Rode Hoed de winnaars van de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 bekendgemaakt. Het actuele gedicht Laatste foto van de vrede van Jan-Paul Rosenberg uit Zeist werd gekozen tot het beste gedicht van het jaar en bekroond met de hoofdprijs van € 10.000.



De tweede prijs (€ 5.000) werd toegekend aan Merel van Slobbe uit Nijmegen en de derde prijs (€ 2.000) aan Dan Falck uit Amsterdam. De prijsuitreiking van de Turing Gedichtenwedstrijd vormt de afsluiting van de Poëzieweek 2017.
Aan de negende editie van de Turing Gedichtenwedstrijd deden in totaal 2.926 dichters mee, van wie 468 uit Vlaanderen, die gezamenlijk 8.306 gedichten inzonden.

De 100 beste gedichten zijn gepubliceerd in de bundel Goudlicht en avondschijn. De Turing Gedichtenwedstrijd bekroont jaarlijks het beste Nederlandstalige gedicht met een geldbedrag van € 10.000, de grootste prijs ter wereld voor één gedicht. Deelname en jurering zijn volledig anoniem.

uit het juryrapport:
'Als grote thema's golden dit jaar burgerlijkheid, wreedheid, onrecht, de liefde (of het verlies daarvan), de vergankelijkheid en de natuur. Er zaten beklemmende, liefdevolle gedichten in de top 100, maar ook scherpe observaties bijvoorbeeld over het zwarte lijf, kolonialisme en de beklemming van zwart zijn nu, hier. We lazen beeldende gedichten, met een filmische blik verteld en keken door een ironische bril naar de kapitalistische maatschappij waarin we leven.’

De jury bestond dit jaar uit dichter Tsead Bruinja (juryvoorzitter), Simone Atangana Bekono (schrijver, dichter), Lies van Gasse (dichter, beeldend kunstenaar), Sef (popartiest) en Françoise Geelen (medeoprichter Turing Foundation).



voorselectie
Een voorjury bestaande uit medewerkers van poëzietijdschriften Awater en De Poëziekrant selecteerde de gedichten voor de tweede ronde (Top 1000) en de derde ronde (Top 100). De beste 1000 gedichten zijn door de voorjuryleden voorzien van een persoonlijke beoordeling.

de drie winnende gedichten

1e prijs: Jan-Paul Rosenberg

Laatste foto van de vrede

Ik bedoel dit letterlijk: verlaat de zoemende foto
nu het nog kan, zelfs uit de ruimte blijkt de verwoesting
onafwendbaar. De man in de kamer hiernaast is al geschiedenis.  

Vanuit deze foto leidt de weg naar de ontsnapping, elke poging tot bewegen
wordt beloond. Deze waarschuwing geldt voor iedereen: pretvaders, bonusmoeders,
leenkroost; alles waarop een naam rust, een burgerservicenummer, een cliëntprofiel; alles
wat kan worden afgeluisterd dus alles wat voor evacuatie in aanmerking komt.

De laatste foto van de vrede bloedt als een oprechte, loyale Madonna. De staat stuurt een app: de
elektriciteit is dood, telefoons/computers
afgesneden. Discreet duiken we onder in een tentenkamp.
Paspoorten, sleutelwoorden raken uitgebloeid.  

De foto liegt niet. Nog even en dan gaat het los
begint het zoeken met honden naar overlevenden.
Tot dan steken we de koppen in het zand, trakteren we
het gouden kalf op Bach, blijven God door de vingers zien. 



2e prijs: Merel van Slobbe

Als je stil bent hoor je in de verte gletsjers smelten

laten we weer op zwemles gaan
er wonen meeuwen in mijn slaapkamer
en ik ben nog altijd bang voor de zee
ik weet nu dat duiken makkelijker gaat dan drijven
en dat mensen voor zestig procent uit water bestaan
verdrinken kan in iedereen
dat er dingen zijn die op zwemvesten lijken:

een gatenplant die langer leeft dan verwacht en plaksterren
voor boven je bed, je kunt het licht op de muren duwen
tot je zelf de Melkweg hebt gemaakt, denken: dit is hoe je drijft

maar als je stil bent hoor je in de verte gletsjers smelten
en je krijgt de mogelijkheid tot zinken niet van je huid gewassen

laten we weer op zwemles gaan
kijk, ik heb iets voor je gebouwd, het is niet groot
maar nog altijd groot genoeg om in te verdrinken



3e prijs: Dan Falck

Onderbreking van de sleur

Op straat kwam ik een dode tegen. Terwijl ik dacht
Waar ken ik hem toch van, viel hij al naar me uit:
‘Waar was je op mijn begrafenis?’ riep hij.
Ik deinsde terug. Er kwam een stroom verwijten op gang:
‘Waar was je toen ik werd geboren, waar was je
Toen mijn ouders elkaar belaagden?’

Help, dacht ik, wat heb ik hiermee te maken,
Hoe kom ik van hem af? Maar hij drong aan:
‘En toen ik voor het eerst werd verraden?
En later, toen ik zelf het toneelstukje
Van de vriendschap, van de liefde speelde?’
Ik zette het op een lopen,

Maar hij rende achter me aan, schreeuwend:
‘En toen ik mijn eigen kind in de steek liet?’
Zijn hand had mijn schouder bijna bereikt,
Maar ik bleef hem voor. ‘Waar was je,
Klootzak, waar was je?’ Enfin, het werd een toestand,
Met politie en een aanhouding.

Later moest ik verschijnen voor een rechtbank van
Gestoorden, in een voormalige kloosterkerk.
Het zonlicht schoof in stoffige banen naar binnen.
Ik werd verplicht om te staan. De voorzitter
Kwijlde over de processtukken, de verklaring
Van de dode werd zonder omhaal aanvaard.

De aanklager hakkelde bijna onverstaanbaar zijn aanklacht.
Er was geen sprake van een laatste woord.
Toen de hamerklap had geklonken, kwamen twee mannen
Met kappen op, en sleurden mij naar buiten. Voor het
Toegestroomde volk sloegen ze me met een bijl dood.
Het volk genoot. Die dode ook.